 |
Pension Mariëngaarde geleggen aan plein
loodrecht op de ingang van de parochiekerk
|
De afgelopen maanden verdiepte ik me in pension Mariëng
aarde in Tilburg, dat gebouwd werd door Alexander Jacobus Kropholler (1881-1973). Dit onderzoek verrichtte ik in het kader van een mastermodule aan de Open Universiteit, onder begeleiding van dr. J. Pouls. De module is getiteld: 'Kunst en identiteit in het interbellum'. Ikzelf, en vele Tilburgers met mij, zijn geneigd alles vanuit de Rooms-katholieke traditie te bezien: katholiek en traditioneel, en (vooralsnog) weinig oog voor moderniteit. Maar pension Mariëngaarde in Tilburg moest vooral modern zijn: toekomstige bewoners mochten niet het gevoel krijgen dat zij in een klooster waren beland. Dat kon een probleem worden, want architect Alexander Jacobus Kropholler (1881-1973), die het pension bouwde in opdracht van de Rooms-katholieke parochie
H. Margaretha Maria Alacoque, wordt gezien als een leidende representant van de antimoderne, traditionalistische architectuur. Het bouwwerk kwam tot stand in 1934-1935, tijdens het interbellum. De samenleving verkeerde in een geestelijke crisis en katholieken maakten gebruik van de disciplines stedebouwkunde en planologie om in ruimtelijke zin uitdrukking te geven aan hun identiteit.
Hoewel het begrip ‘modern’ problematisch is, is er een onderscheid te maken tussen de modernisten
 |
| Kapel met hoog zadeldak, smalle glas-in-loodramen |
en de traditionalisten in de architectuur. Zo accepteerden de modernisten onder andere de industriële samenleving, gebruikten zij nieuwe materialen zoals beton en staal, en creëerden zij grote glazen ramen om de openheid en toegankelijkheid van de ruimte te benadrukken. De traditionalisten vernieuwden door het doorbouwen op de traditie en creëerden architectuur van alle tijden, in overeenstemming met de tradities van streek en land. Zij prefereerden ambachtelijk handwerk boven machinale productie. Deze traditionalistische opvatting resulteerde in de toepassing van traditionele vormen zoals middeleeuws-romaanse elementen bij de kerkenbouw en hoge zadeldaken bij de woningbouw.
Kropholler kreeg dan wel de opdracht om modern te bouwen, maar toch hanteerde hij de traditionalistische stijl: doorbouwen op traditie, architectuur van alle tijden, afgestemd op de traditie van streek en land, en ambachtelijkheid in plaats van machinale productie. Qua vormentaal werd het traditionalisme gekenmerkt door middeleeuws-romaanse elementen en een hoog zadeldak waaraan pension Mariëngaarde voldeed. Kropholler ontwierp en bouwde dus een traditionalistisch bouwwerk pur sang.
 |
| Interieur met bogen zoals we die kennen van romaanse kerken |
Uit kranten en recensies blijkt dat het pension als modern werd ervaren. Waren het de ramen met de dunne stalen kozijnen of de moderne communicatiemiddelen waarover pension Mariëngaarde beschikte? Werd het moderne gevoeld in de eenvoud en soberheid waarvan Kropholler zich bediende? Of waren de katholieke Tilburgers gewend aan de neogotische vormentaal, en werden zij verrast door Krophollers vernieuwde vormgeving aan de Liturgische Beweging?
Tot zover een kleine uiteenzetting naar aanleiding van mijn onderzoek naar traditie en moderniteit tijdens het interbellum. Zoals gezegd had ik verwacht dat de pastoor en het kerkbestuur alleen maar dachten in traditie. Opvallend vond ik echter dat in de opdrachtgeving aan de architect het moderne werd benadrukt. Er werd door de pastoor meer aandacht besteed aan het pension dat modern en vooral rendabel moest zijn. Over de inrichting en vormgeving van de kapel had de bouwpastoor weinig op te merken.
Hoewel we pension Mariëngaarde vanuit hedendaags perspectief als traditionalistisch beschouwen, werd het in de jaren 1934-1935 als een modern bouwwerk gezien. Deze uitkomst vind ik verrassend en verdient nader onderzoek.
Het gehele artikel is te lezen op
Academia
Geen opmerkingen:
Een reactie posten