Enkele jaren eerder, in 1952, was de provinciale prijs
ingesteld bij besluit van Gedeputeerde Staten. De prijs zou in perioden van
drie opeenvolgende jaren beurtelings worden toegekend aan een kunstenaar uit de
categorieën beeldende kunsten, muziek en toneel en literatuur. Zowel
professionele - als amateurkunstenaars konden meedoen. Het doel van de prijs
was zowel het nauwer tot elkaar brengen van kunstenaars en bevolking, als een
stimulans en ondersteuning zijn voor de ‘cultureel-artistieke werkzaamheid’ van
de kunstenaar zelf, zo werd in De
Maasbode van 26 oktober 1953 uitgelegd. Kunstcriticus W. Jos de Gruyter,
die zowel in 1953 als in 1956 lid was van de adviescommissie, vond het
toekennen van een driejaarlijkse prijs niet meevallen. Zo deden veel Brabantse
kunstenaars nog niet mee en was de kwaliteit van het werk van de categorie amateurs
nogal mager.[3]
Voor iedere prijstoekenning werd een nieuwe beoordelingscommissie samengesteld, in 1956 bestaande uit vijf personen. Twee daarvan waren goed op de hoogte van de ontwikkelingen in de beeldende kunsten in Brabant, namelijk de heren mr. J.J.M. Dony en dr. F.A. Vercammen. Voor een meer objectievere visie werden landelijke deskundigen gevraagd: prof. dr. N.R.A. Vroom, directeur van de Rijksacademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam, kunstcriticus W.J. de Gruyter, tevens directeur van het Groninger Museum en Ch. Wentinck, kunstredacteur van Elseviers Weekblad. Deze commissieleden hadden geen persoonlijke noch plaatselijke binding met de te beoordelen kunstenaars en amateurs.[4] Bij de installatie van deze commissie werd al op voorhand gewaarschuwd dat het ‘toekennen van prijzen meestal kritiek’ opleverde. Gehoopt werd dat de vijfkoppige commissie naar beste weten haar taak zou vervullen.[5]
Bij de beoordeling van Dekkers’ werk kwam het kritische
commentaar niet zozeer van buitenaf, als wel vanuit de commissie zelf, namelijk
van de heer Vroom uit Amsterdam. Nadat de directeur van de Rijksacademie te
Amsterdam, waar overigens Egbert Dekkers zelf zijn opleiding had gevolgd tussen
1937 en 1941, twee juryvergaderingen had bijgewoond én een rondgang had gemaakt
langs de aangeleverde werken, kon hij zich niet committeren aan een positieve
beoordeling van het werk van Dekkers. Vroom kon noch in zijn persoonlijke noch in
zijn ambtelijke verantwoordelijkheid instemmen met het positieve oordeel over
Dekkers. Vroom was namelijk van mening dat Dekkers’ werk ‘zowel krachtens zijn
aard’ als ‘onder een chaotische profusie’ gebruik maakte van ‘verkeerd begrepen
moderne en traditionele vormen’. Daarbij constateerde de academiedirecteur een
gebrek aan wezenlijke inhoud en ontbrak het de kunstenaar aan iconografische
kennis en oog voor de functie van een monumentaal kunstwerk in de architectuur.
Omdat Vroom zich educatief verantwoordelijk voelde voor de nog op te leiden
generatie jonge kunstenaars, onder andere uit Brabant, wilde hij geen
‘geestesuitingen’ aanmoedigen waarvan ‘sinds enige tijd duidelijk was dat die
als verwerpelijk werden geboekstaafd.’[6]
Was Dekkers’ werk verwerpelijk te noemen of juist een blijk
van vooruitgang? Vrooms veroordeling van het werk van Egbert Dekkers werd in
elk geval niet unaniem gedeeld. Bij de prijsuitreiking, uit handen van prof.
dr. J.E. De Quay, Commissaris van de Koningin van 1946 tot 1959, werd gesteld
dat de plastische kunsten in Brabant zich sinds 1953 ontwikkeld hadden van een
‘enger gewestelijk domein’ naar een ‘ruimer gebied van nationale en
internationale kunstrichtingen,’ zo blijkt uit een toelichting op het
juryrapport. In 1956 waren er geen kunstwerken meer voorgedragen, die verwant
waren aan de zogeheten neo-barok, een stijl die na de Tweede Wereldoorlog nog
door menig Brabantse kunstenaar was toegepast en ook in Limburg nog veel werd
aangehangen (onder andere door de bekende Charles Eyck). De ‘archaïsering’,
waarvan nog sprake was in de neo-barokke werken, had inmiddels plaatsgemaakt
voor een eigentijds stijlbeeld, waarin van vrome, natuurgetrouwe uitbeeldingen geen
sprake meer was. Waar het in de voor de provinciale prijs te beoordelen werk
niet alleen ontbrak aan neo-barokke kunst, was ook de in zwang zijnde nationale
en internationale abstracte kunst (nog) niet vertegenwoordigd. De Quay vroeg
zich af of het algemene stijlbeeld in Brabant nog niet voltooid was, of dat er
andere krachten waren, die de abstracte kunst tegenhielden.[7]
Egbert Dekkers kreeg ondanks de kritiek van Vroom de Provinciale Prijs voor de Schone Kunsten voor het jaar 1956. In literatuur en andere media wordt vaak gemeld dat hij deze prijs in 1957 had behaald. Wie echter het archief van het Provinciaal Bestuur raadpleegt in het Brabants Historisch Informatiecentrum te Den Bosch zal zien dat zowel de samenstelling van de commissie, de prijsvoordracht en de beoordeling van de werken alle plaatsvonden in en over het jaar 1956. Het was alleen de prijsuitreiking die plaatsvond in januari 1957.[8]
De foto's zijn van Josephine Dekkers. De eerste foto is gemaakt in de Sint Anthonius Abt-kerk. De twee andere foto's zijn de besproken pastels.
[1] ‘Brabantse
prijs voor schone kunsten. Albert Troost bekroond’, De Tijd, 16 oktober 1953; Provinciaal Bestuur, 1950-1986. Inv.nr.
7270 Jaarlijkse provinciale prijs voor schone kunsten, toekenning 1953-1956.
[2] BHIC. Toegang
1392. Inv.nr. 7270. Rapport van de Commissie van Advies voor de toekenning van
de provinciale prijs voor schone kunsten 1956, december 1956.
[3]
‘Brabantse prijs voor schone kunsten uitgereikt’, De Maasbode, 26 oktober 1953.
[4] BHIC.
Toegang 1392. Provinciaal Bestuur, 1950-1986. Inv.nr. 7270 Jaarlijkse provinciale
prijs voor schone kunsten, toekenning 1953-1956. Correspondentie van de Prov.
Commissie Beeldende Kunsten aan het College van Gedeputeerde Staten van
Noord-Brabant, 6 juni 1956.
[5] BHIC.
Toegang 1392. Inv.nr. 7270. Verslag van de installatievergadering van de
Commissie Provinciale Prijs voor Schone Kunsten 1956, 26 september 1956.
[6] BHIC. Toegang
1392. Inv.nr. 7270. Brief van Dr. N.R.A. Vroom aan de Gedeputeerde Staten van
Noord-Brabant, 7 januari 1957.
[7] BHIC. Toegang
1392. Inv.nr. 7270. Document als toelichting op het juryrapport door J.E. de
Quay, december 1956.
[8] BHIC. Toegang
1392. Inv.nr. 7270.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten