1982. De Tilburgse textiel was als een kaartenhuis in elkaar gestort en de (landelijke) werkloosheid was groot. Tilburg kreeg een ‘Baanlozencentrum’, waar werklozen en werkzoekenden konden verblijven, deelnemen aan cursussen en trainen in solliciteren. In 1982 kreeg ik op mijn 21e verjaardag een baan bij kleuterschool De Vlierakkertjes in Berkel-Enschot.
Eerder had ik gesolliciteerd bij De Gesworen Hoek in de Reeshof, een van de eerste scholen daar – een mix van kleuter- en lager onderwijs. Bij gebrek aan een rijbewijs chauffeurde mijn vader me voor een sollicitatiegesprek naar deze uithoek van de wereld. Tussen het zand, de hijskranen en onafgemaakte straten werd de school opgebouwd. Het dorpse leven van Berkel-Enschot en het nieuwe stadsdeel Reeshof spraken me beide weinig tot de verbeelding. Liever Tilburg, in 1982 rauw en alternatief.Tilburg was een stad in beweging, maar ook in verwarring – zoekend naar een nieuwe identiteit na het textieltijdperk. Een aantal fabrieken kreeg een tweede leven. Het eerder genoemde Baanlozencentrum was in eerste instantie gevestigd in de voormalige fabriek van Enneking aan de Goirkestraat. Later verhuisde het naar de Voltstraat, in de oude fabriek van VOLT. Het Duvelhok, een oude katoenspinnerij aan de Sint Josephstraat, werd een broedplaats voor creativiteit. Er waren in Tilburg ‘alternatieve’ winkels en restaurants, zoals De Imme, De Raat en de Santekraam, waar ik een cursus volgde om Vrijeschoolpoppen te maken. Het reactieve en tegendraadse Tilburg kreeg nog meer smoel bij de Vrije Boekhandel, Du Commerce, De Paardenbloem en de Join Corner aan de Pironstraat. Gaf ik van maandag tot en met vrijdag les aan de kleuters in het relatief rustige Berkel-Enschot, in mijn vrije tijd voelde ik me onderdeel van deze stad vol idealen, eigenzinnigheid en zachte revoluties.
Mijn eerste ‘op-kamer-woning’ lag aan het Leypark, waar de Veulpoepers in 1982 hun afscheid vierden. Deze stem van het Tilburgse volk, van het protest, kwam tot uiting in de folkloristische muziek, theater en politiek. De Fanfare van de Eeuwigdurende Bijstand, het kindertheater Pielekepoep – tegendraads Tilburg was toen al een feit. De reuring van de stad voelde ik nog meer nadat ik al na enkele maanden het Leypark verliet en met een vriendin een woning ging delen in de Bomenbuurt. Aan het einde van onze straat, met de (brave) naam ‘Missionaris’, stond op de hoek het vrolijke en veelbezongen café Den Egelantier.
In 1982 zat de Gemeentelijke Archiefdienst in het souterrain van het Paleis. Ze hadden er 70.000 objecten, zoals blijkt uit een artikel in De Tilburgse Koerier: plattegronden, schilderijen, objecten vanuit de folklore en de archeologie. Deze verzameling heette nog geen ‘Collectie Stadsmuseum Tilburg’, maar werd een ‘Topografisch Historische Atlas’ genoemd.Ik was 21 en het volwassen leven begonnen met een baan in
het kleuteronderwijs. Na de middelbare school had ik een vervolgopleiding
gekozen die niet te moeilijk was en in Tilburg, gemakkelijk dichtbij. Dat ik
later in de geschiedenis terecht zou komen, of in het Paleis zou landen bij
Vincents Tekenlokaal – dat alles was nog ver weg. Het was Tilburg 1982, ik zette
mijn eerste stappen in een stad die volop in beweging was. Er was even geen
geschiedenis. Die van de textiel was net voorbij. Een nieuwe tijd was in
wording.
.jpg)
.jpg)



Leuk inkijkje in de vroege Petra Robben :)
BeantwoordenVerwijderen